Na zeven maanden is mijn reis in De Nieuwe Wereld ten einde. Triest en opgelucht tegelijkertijd, vraag ik mezelf af wat ik nu eigenlijk geleerd heb. Je schijnt namelijk niet meer op reis te kunnen, zonder dat je wijzer en verstandiger terug komt.
Tot mijn schaamte moet ik bekennen dat ook ik me enigzins schuldig heb gemaakt aan de trend ”op reis om jezelf te vinden”. Ik zou thuiskomen met een notie van wat ik de mensheid te bieden had. Mijn missie voor deze wereld mij, immense afstanden afleggend, geopenbaard worden. Afzien zou ik, maar daar zou een beloning tegenover staan in de vorm van Wijsheid, Zelfkennis, Inzicht.
Mezelf heb ik allesbehalve gevonden. Sterker nog, hoe meer plaatsen ik bezocht, des te verbaasder was ik om daar ook steeds mezelf aan te treffen. Van jungle naar woestijn en van bergen naar wereldsteden ging ik en steeds kwam de gedachte ”Hee, jij ook hier?” bij me op. In plaats van verlichte denkbeelden heb ik vooral meer en minder noodzakelijke vaardigheden opgepikt. Met enige trots kan ik bekend maken dat ik nu:
Een blikje Coca Cola kan atten, mijn weg kan vinden met een kaart, razendsnel munteenheden kan omrekenen, staand kan eten, sociaal acceptabel kan afdingen (Dit varieert van ”Can you do a bit better for me?” met een glimlach in Amerikaanse motels, tot een verontwaardigdheid ”Je maakt een grap!” voor Peruaanse straatverkopers.), tango kan dansen, twintig uur durende busritten kan uitzitten zonder wc of eten, binnen 5 minuten een tent op kan zetten, goed Spaans en beter Frans en Engels kan spreken, buiten kan koken op 1 gaspitje terwijl het vriest, en zonder adempauze een profiel van een niet-bestaande echtgenoot kan schetsen. Niet slecht, maar materiaal voor een zelfhulp boek is het niet.
Om dan maar een ander genre uit te proberen, heb ik me niet op mezelf, maar op anderen geconcentreerd. Voor wie dat filantropisch in de oren klinkt: je hebt het mis. Tot stand gekomen middels de methode van de participerende observatie, volgt hieronder een quasi-sociaalwetenschappelijke schets van De Reiziger.
De Reiziger komt in verschillende soorten en maten, maar is typisch tussen de 18 en 35 jaar oud. De jongste categorie komt direct van de middelbare school en heeft nog nooit een leven zonder maaltijden van mama gekend. De oudste categorie is zijn baan kwijt geraakt door de kredietcrisis, heeft zijn yupperige schepen achter zich verbrand en is vertrokken. Verder is De Reiziger het product van de hogere middenklasse: papa en mama zijn als leden van de babyboomgeneratie naar India, of wellicht iets dichterbij gegaan. Met hun titels op zak hebben ze middels een soepele carriere genoeg centjes voor de studies en de reizen van hun kroost opzij kunnen zetten. Hun kroost, de huidige backpackers, nemen de Beatles op hun ipod mee op reis, want dat klinkt als thuis. Als vijftienjarigen droegen ze Che Guavara-buttons, kregen daardoor zin om naar Latijns-Amerika te gaan, en kwamen er aldaar wat een eikel die Che eigenlijk was. Ze zijn verstandige reizigers, maar, resultaat van een liberale opvoeding, kunnen met al hun verstand niet begrijpen dat marihuana in Zuid-Amerika echt voor problemen kan zorgen.
De Reiziger is verder onder te verdelen in regionale sub-categorieen:
-De Brit: gaat op reis omdat het bier goedkoper is op het zuidelijk halfrond en omdat hij spectaculaire en gevaarlijke dingen uit wil proberen. Is uitermate sociaal met medereizigers, maar spreekt geen woord Spaans (of Portugees). Beweert desondanks zich prima te kunnen redden dankzij zijn communicatieve vaardigheden. Vergeet te vermelden dat dat ook te maken heeft met het universele symbool voor ”nog een rondje”.
-De Fransman: reist vaak met 1 andere reisgenoot. In een koppel maken ze gemakkelijk contact met anderen, maar hoeven ze nooit alleen te zijn. Te herkennen aan de Quechua-sportkleding, waarin hij zelfs in een club of kroeg verschijnt. De Fransman kan het reizen gemakkelijk een paar maanden volhouden vanwege het gemak waarmee hij een uitkering krijgt. En reizen met je uitkering heeft niets te maken met profiteren, maar is iets waar je recht op hebt, zo vindt de Fransman.
-De Zuid-Europeaan: heeft minder geld dan zijn buren. Reist minder planmatig en financieert zichzelf onderweg door muziek op straat te maken, sieraden te verkopen of te jongleren. Blijft significant langer op op een plek hangen. Door het gemak van Spaans of Italiaans, komt hij meer in contact met de bewoners van de Latijnse landen en door het gemis van Engels zondert hij zich meer af van medereizigers. De Zuid-Europeaan is niet op zoek naar spektakel en gevaar, maar geniet het meest van muziek, een joint en een glas rum op een plek waar je daar niet voor hoeft te betalen.
-De Noord-West Europeaan: reist vaak solo. Spreekt redelijk tot goed Spaans, dankzij de ter voorbereiding genomen lessen. In tegenstelling tot zuidelijke Europeanen, wil de Duitser, Nederlander of Scandinavier zijn route zo goed en efficient mogelijk plannen. Lang blijven hangen op plekken ziet hij als tijdverlies. Wil graag ”iets bijdragen” en geeft zich daarom op voor allerlei stages en vrijwilligersprojecten. Doet dit echter met minder hart en ziel dan Amerikanen en Zuid-Europeanen omdat deze onderneming eerder met schuldgevoel te maken heeft dan met daadwerkelijke toewijding. Is jaloers op het kalme ritme en levenslust van Latino’s, maar zou zich er nooit mee kunnen vereenzelvigen.
-De Israeli: komt vers uit het leger en wil van zijn vrijheid genieten voordat de studie begint. Laat zijn haar groeien, probeert zoveel mogelijk drugs uit en wil zoveel mogelijk wilde dieren aanraken of neer schieten. De Israeli heeft liever goed gezelschap dan dat hij zijn eigen plannen maakt en brengt daarom dagen door met kaartspelen en ketting roken in een groep van tenminste twintig anderen. Overal in Zuid-Amerika kan de Israeli hostels, reisbureau’s, restaurants en gidsen vinden die Hebreeuws kunnen. Gewend aan ”bootcamp”, gaan Israeli’s zonder problemen op dagenlange bergtochten of oerwoud verkenningen.
-De Amerikaan: spreekt geen woord Spaans maar wordt daarvoor gemakkelijk vergeven dankzij zijn royale fooien. Is extreem voorzichtig met hygiene en daardoor om de haverklap ziek en aan de antibiotica. Stelt in een restaurant minstens vijf vragen over elk gerecht dat hij overweegt te bestellen. Houdt de stemming erin bij zware bergklimmen of lange wandeltochten, omdat hij nooit iets gewoon leuk of prettig vindt, maar altijd ‘awesome’, ‘amazing’ en ‘life changing’.
De Reiziger verblijft vooral in hostels of guest houses, waar hij tevreden is met een stapelbed in een slaapzaal, een enigzins schone douche, internetverbinding en een kluisje. Ook ik heb de meerderheid van mijn nachten in zulk soort privacy-ontberende omstandigheden doorgebracht. Om de zogenaamde sociaal-wetenschappelijkheid compleet te maken, volgen hier wat onzorgvuldige data:
Nachten doorgebracht in:
tent: 15, geparkeerde auto: 8, iemands huis: 27, ziekenhuis: 1, bus/vliegtuig/trein: 11, motel: 11, hostel/guesthouse: de rest.
Landen bezocht: Frankrijk, Peru, Bolivia, Argentinie, Uruguay, Brazilie, de Verenigde Staten.
Gebruikte transportmiddelen: bus, vliegtuig, taxi, vrachtwagen, fiets, huurauto, trein, boot, metro.
Aantal bezoeken aan dokter: 3
Aantal bezoeken aan politie: 2
De Reiziger merkt dat de afstand die je aflegt, niet altijd gelijk staat aan cultuurverschil. Mijn cultuurshock vond niet, zoals verwacht, plaats na de reis van Zuid- naar Noord-Amerika maar juist in de enkele kilometers tussen het zuiden van Bolivia en het noorden van Argentinie. Of zelfs binnen Brazilie, toen ik van Rio de Janeiro naar Salvador vloog. En hoe merkte ik, eenmaal geland in Seattle, USA, dat ik in de westerse wereld aangekomen was? Ik zag gesluierde moslima’s het straatbeeld bepalen.
Als je wilt, is de wereld een dorp waar je overal pizza’s, cuba libre’s en internet kan vinden. Waar iedereen een soort van engels spreekt en waar Bob Marley en Manu Chao over de speakers klinken. Een ding dat je daarvan kunt leren, misschien, is dat je overal thuis kunt zijn. Een ander ding echter, is dat je overal drie stappen verder de hoek om kan lopen. Dan ben je pas echt op reis.